Home‎ > ‎Nieuws‎ > ‎

Wat betekent het Pensioenakkoord voor u?






Wat betekent het Pensioenakkoord voor u?

Onlangs hebben het kabinet, werknemers- en werkgeversorganisaties een principe akkoord bereikt voor het vernieuwen van het pensioenstelsel. Maar wat betekent dit voor u? Wij hebben een aantal hoofdpunten uit het akkoord voor u op een rijtje gezet.


AOW-leeftijd stijgt minder snel
In de huidige wetgeving zou de AOW-leeftijd in 2021 stijgen naar 67 jaar. Daarna zou de AOW-leeftijd afhangen van de levensverwachting: Elk jaar langer leven zou leiden tot een jaar langer werken.

De AOW-leeftijd blijft tot 2021 staan op 66 jaar en 4 maanden. Daarna gaat de AOW-leeftijd in een paar stappen omhoog:

  • In 2022 is de AOW-leeftijd 66 jaar en 7 maanden.
  • In 2023 is de AOW-leeftijd 66 jaar en 10 maanden.
  • In 2024 is de AOW-leeftijd 67 jaar.

Na 2024 gaat de verhoging van de AOW-leeftijd door, maar minder snel dan nu het geval is. Als blijkt dat wij in Nederland in de toekomst gemiddeld een jaar langer leven, dan leidt dat tot een stijging van de AOW-leeftijd met 8 in plaats van 12 maanden. Dit betekent dat iedereen, ook jongeren, eerder AOW krijgt en eerder met pensioen kan.

Inmiddels hebben de Tweede Kamer en Eerste Kamer akkoord gegeven om de AOW-leeftijd minder snel te laten stijgen. Deze wet moet per 1 januari 2020 in werking treden.

Onderstaand schema laat zien wat de effecten van de AOW-afspraken zijn.


AOW na aantal dienstjaren
Er is een voorkeur voor de invoering van een flexibele AOW-leeftijd. Daarom wordt er onderzocht of de AOW-leeftijd gekoppeld kan worden aan een aantal dienstjaren, bijvoorbeeld 45 jaar. Aandachtspunten hierbij zijn de uitvoerbaarheid en het behoud van de AOW als stabiele basis van het Nederlandse pensioenstelsel. Dit onderzoek moet in 2020 afgerond zijn.


Verandering pensioenopbouw
In de huidige wetgeving betaalt de werkgever voor elke werknemer evenveel premie, ongeacht de leeftijd van de werknemer. Op deze manier betaalt een werkgever teveel premie voor een jongere werknemer en voor een oudere werknemer te weinig. Een deel van de premie voor de jongere werknemers gaat daarom naar het pensioen van de oudere werknemers. Dit systeem (de doorsneepremie) wordt afgeschaft.

De pensioenpremie die u zelf betaalt, moet volledig voor uw pensioen zijn. De premie-inleg van een jongere werknemer kan langer rendement maken dan de premie-inleg van een oudere werknemer. De premie van een jongere werknemer leidt daardoor tot een relatief hoger pensioen dan de premie-inleg van een oudere werknemer. Hoe deze nieuwe manier van pensioenopbouw er precies uit gaat zien, wordt in de aankomende 2 jaar onderzocht.

Eerder stoppen met werken voor werknemers met zware beroepen
Voor werknemers met zwaar en onregelmatig werk is het vaak moeilijk om gezond te blijven werken tot de AOW-leeftijd. Een belangrijk onderdeel van het principe akkoord is het mogelijk maken voor mensen met een zwaar beroep om eerder te kunnen stoppen met werken. Voor deze groep werknemers wordt gekeken naar verschillende mogelijkheden die werkgevers kunnen bieden om vervroegd pensioen mogelijk te maken.


Bedrag opnemen bij pensionering
Er moet meer flexibiliteit komen bij het opnemen van het pensioen. Om deze flexibiliteit te kunnen bieden is het voorstel om op de pensioeningangsdatum een bedrag van maximaal 10% van het pensioenbedrag ineens op te nemen. Dit bedrag kan dan gebruikt worden voor zaken die aansluiten bij de persoonlijke situatie, bijvoorbeeld om de hypotheek af te lossen, de woning te verbeteren of om op reis te gaan.


Minder kans op verlagingen
Al een paar jaar hebben veel pensioenfondsen de pensioenen niet tot nauwelijks kunnen verhogen. Volgens de huidige regels moeten pensioenfondsen hoge financiële buffers aanhouden. Dit maakt het verhogen van de pensioenen moeilijker. Sterker nog, het vergroot de kans op verlaging van de pensioenen.

Het plan is dan ook om pensioenfondsen minder hoge buffers aan te laten houden. Dit moet de kans op verhoging vergroten. Als een pensioenfonds een dekkingsgraad boven de 100% heeft, dan moeten de pensioenen al verhoogd kunnen worden. Valt de dekkingsgraad daaronder, dan moeten de pensioenen verlaagd worden.

Volgend jaar dreigt voor meerdere pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 104% dat de pensioenen verlaagd moeten worden. Er wordt op de korte termijn een tijdelijke maatregel aangenomen om de kans op verlagingen van de pensioenen te verkleinen. De grens van 104% wordt verlaagd naar 100%. Alleen voor pensioenfondsen die eind van dit jaar met een dekkingsgraad onder de 100% zitten, blijft de kans op verlaging groot.